pensioenfondsen-staan-er-beter

Pensioenen, kan het anders?

red./Ad Broere/DVM

De rol van overheid en toezichthouders

Jetta Klijnsma, lees de overheid,  heeft geen enkele legitieme bemoeienis met de aanvullende pensioenen. Deze zijn een zaak van werkgevers en werknemers. De overheid is niet meer dan een van de werkgevers en nog een onbetrouwbare ook, zoals blijkt uit dit artikel van Hennie Kemner. De Nederlandse Bank en de Autoriteit Financiële Markten oefenen toezicht uit op de pensioenfondsen en zouden alleen gericht op handhaving van de pensioenwet mogen optreden. In werkelijkheid treden deze autoriteiten sturend op. Opleggen aan de pensioenfondsen van een op risicovrij rendement gebaseerde rekenrente lijkt voorbij te gaan aan het houden van toezicht.

Een voorbeeld

Een eenvoudig voorbeeld spreekt vaak meer tot de verbeelding dan duidelijk proberen te maken waarom het gaat door grote getallen te benoemen. Wat zegt ons € 1,4 biljoen? Het is door zijn enorme omvang te abstract. Hoe zit het met een persoon? Bijvoorbeeld een vrouw die op 1 januari 1998 als docente op een vwo-school gaat werken. Ze heeft een aanvangssalaris van € 3.000 bruto per maand en haar salaris wordt jaarlijks verhoogd met 2%. Haar werkgever draagt de pensioenpremie af aan het ABP. Deze premie komt terecht in de collectieve reserve van het ABP. Het wordt dus niet belegd op basis van een persoonlijk spaarplan, maar vanuit de collectieve reserve. Het ABP publiceerde in het voorjaar van 2016, dat het nettorendement – dus na aftrek van kosten- op deze beleggingen vanaf 1995 tot 2016 jaarlijks gemiddeld 7% heeft bedragen. De docente in dit voorbeeld ging op 31 december 2015 met pensioen.

retirement_plan_cartoon

Met dank aan ABP voor het spreadsheet dat we ontvingen, kon exact worden uitgerekend dat er in de jaren 1998 tot en met 2015 €114.866 voor de docente werd afgedragen aan het pensioenfonds. Door het gemiddelde jaarlijkse nettorendement van 7% is het kapitaal dat voor haar wordt gespaard en dat normaalgesproken ook voor haar beschikbaar zou moeten zijn op 1 januari 2016, opgelopen tot € 217.708.  De vrouw heeft een recht opgebouwd van een op middelloon gebaseerd pensioen van € 9.297 per jaar.

De gemiddelde leeftijd waarop vrouwen overlijden was in 2015 80,5 jaar. Als de vrouw aan het gemiddelde zou beantwoorden, dan zou zij ruim vijftien jaar van haar pensioen genieten. De bewering dat bij Nederlanders de gemiddelde leeftijd snel zou toenemen, wordt gelogenstraft door de feiten. De werkelijkheid is anders: De gemiddelde levensverwachting voor vrouwen die in 2015 zijn geboren is 83,1 jaar en dat is 0,2 jaar minder dan in 2014 (bron CBS). Om de discussie echter niet op dit punt te laten vastlopen, wordt er in dit voorbeeld uitgegaan van een levensduur van twintig jaar na pensionering.

Tekort of overschot?

Op 1 januari 2016 is er voor de vrouw een kapitaal beschikbaar van € 217.708. Hieruit worden de pensioenbetalingen gedaan van € 9.297 per jaar. Er wordt niet geïndexeerd op haar pensioen, dus het bedrag blijft gelijk gedurende twintig jaar en als de vrouw overlijdt, dan is er € 185.937 uitbetaald en resteert er dus € 31.771. Dit bedrag wordt niet uitgekeerd aan de erven van de vrouw. Het blijft hangen in de reserve, zonder dat er aanspraken op worden gedaan. Er is echter meer. Het kapitaal van € 217.708 wordt niet op 1 januari 2016 in een digitale kluis gedaan met het etiket ‘voor mevrouw Y’. Het kapitaal blijft gewoon onderdeel uitmaken van de enorme reserve van het ABP van meer dan € 350 miljard en op dit geld wordt gewoon nog rendement gemaakt. Als het gemiddelde rendement van 7% door blijft gaan na 2015, dan resteert er op 1 januari 2036 na haar overlijden € 196.683. Bij een laag rendement van 2% blijft er nog altijd €76.521 over. Als de pensioenuitkering met 2% jaarlijks wordt verhoogd dan zou de vrouw gedurende de twintig jaar € 39.952 meer ontvangen. Dat indexering niet mogelijk zou zijn, blijkt in dit representatieve voorbeeld echter een fabel.

Aan wie valt het toe?

De belangrijkste conclusie is, dat er een grote spreiding zit tussen het rendement dat pensioenfondsen in werkelijkheid maken en de van bovenaf opgelegde rekenrente. Daardoor is er sprake van vrijval van geld in de reserve van de fondsen. Deze vrijval loopt op tot enorme bedragen, die niet toekomen aan de overheid, niet aan de werkgevers en ook niet aan de nu actieve deelnemers aan de pensioenfondsen.

zorg_en_welzijn_0

Aanvullende pensioenen worden gevormd op basis van het kapitaaldekkingsstelsel en niet op basis van een omslagstelsel, zoals dat bij de AOW het geval is. Op de bedragen die vrijvallen zoals in het voorbeeld, heeft de overheid een belastingclaim van 35% en geen euro meer. Sparen voor een aanvullend pensioen wordt fiscaal gefaciliteerd. Dit betekent dat er op de afgedragen premies geen belasting wordt ingehouden. Die belasting wordt pas geheven als de pensioenen worden uitgekeerd. Verder is het zo, dat bij inkomens waarop 52% belasting wordt ingehouden er een ‘voordeel’ is bij uitkering omdat deze bedragen met maximaal 35% worden belast. Sparen voor een aanvullend pensioen is daarom fiscaal voordelig voor hogere inkomens en nadelig voor de staat omdat belastingheffing -lang- wordt uitgesteld. Deze invalshoek maakt het begrijpelijker dat de overheid er belang bij heeft dat het deel waarop zij belastingtechnisch recht hebben, ook daadwerkelijk naar hen toekomt.

Cor Mol schrijft hierover: “Het huidige pensioenstelsel verstoort de overheidshuishouding en heeft een sterk negatief effect op het besteedbaar inkomen van de burgers. Dat effect wordt met name veroorzaakt door:

(a) Onnodig hoge pensioengrondslag door fiscale facilitering en verplichte winkelnering, nog eens versterkt door HRA (geringe neiging tot aflossen = vorm pensioensparen) ;

(b) Extra belastingheffing doordat de lagere belastingopbrengst pensioenstelsel moet worden aangevuld.

De omkeerregel pensioenen kan eenvoudig worden afgeschaft door een voorheffing van 30% in te voeren op alle mutaties in het pensioenvermogen bij het pensioenlichaam en die voorheffing te verrekenen bij uitbetaling, vergelijkbaar met de dividendbelasting. Per 1/1/2017 levert dit ca € 500 mld. op.”

Als de pensioenfondsen echter een aanslag zouden ontvangen van de Belastingdienst met een bedrag van die omvang, dan zou dit wel een dikke streep betekenen door het rendement dat de fondsen maken op de belegde reserves als er een gat van € 500 miljard in zou worden geslagen. Aan de andere kant wordt het bedrag dat gespaard moet worden ook lager omdat 30% al is afgedragen aan de staat.

Met het voorbeeld dat werd uitgewerkt in dit artikel wordt duidelijk gemaakt dat zonder rendement er onvoldoende kapitaal wordt gevormd om aan de toezegging te kunnen voldoen. Toch is het voorstel van Mol niet verkeerd. Het zou Klijnsma tot rust brengen, want ze hoeft niet langer als een kloek op haar eieren te zitten en de staatsschuld kan -voor een groot deel- worden afgelost. Waardoor ‘te betalen rente’ uit de staatsbegroting kan worden geschrapt en de belastingbetaler af is van het gezeur van de overheid over de hoge staatsschuld, die vooral het gevolg is van de rente en rente op rentebetalingen op de staatsschuld tussen 1970 en 2015. Ook zou, als het goed wordt aangepakt, het niet langer nodig zijn om geforceerd hoge rendementen te maken op de pensioenreserves en de slechte verbindingen kunnen worden losgelaten die meerdere pensioenfondsen met notoire investeringsfondsen en -banken hebben gemaakt om hun rendement te verbeteren. Niet bij uitzondering op een aanvechtbare manier, zoals het programma Zwarte Zwanen heeft laten zien.

 

© Ad Broere, econoom

Related Post

Note: Your password will be generated automatically and sent to your email address.

Forgot Your Password?

Enter your email address and we'll send you a link you can use to pick a new password.